Op de Eerste Amsterdamse Onroerend Goed Veiling treffen de Amsterdamse makelaars elkaar zo’n dertig keer per jaar op maandagavond. Maar wat betekenen al die vreemde woorden en wat moet je als makelaar weten als je wilt meebieden. Een korte uitleg aan de hand van de meest gebruikte termen.

Op de Eerste Amsterdamse Onroerend Goed Veiling treffen de Amsterdamse makelaars elkaar zo’n dertig keer per jaar op maandagavond. Maar wat betekenen al die vreemde woorden en wat moet je als makelaar weten als je wilt meebieden. Een korte uitleg aan de hand van de meest gebruikte termen.

1. Opbod
De afslager vraagt “Wat mag ik horen?” en het tegen elkaar opbieden begint. De hoogstbiedende is niet meteen de eigenaar.

2. Mijn 
Na de biedronde gaat het pand in de afslag. De veilingmeester neemt een bedrag dat afhangt van het opbod en telt vervolgens af. Wie bij een bepaald bedrag “mijn” roept, mag het pand kopen. De definitieve verkoopprijs is het opbod plus het ‘gemijnde’ bedrag. Als niemand mijnt dan is de hoogste bieder alsnog de eigenaar.

3. Plok
De hoogste bieder krijgt de ‘plokpremie’, een vast bedrag van ongeveer 1,5 procent van de koopsom. Deze plokpremie is ingevoerd om de prijs op te hogen.

4. Gunnen
Verkoper, makelaar en notaris besluiten binnen een uur na de veiling of ze het bod gunnen of accepteren. Zo ja, dan is het pand definitief verkocht.

Bron: Vastgoed